Jeugdliefde

Frans leren
Aan mijn schoolrapporten is te zien dat ik toen al beter was in taal dan in de exacte vakken. Vooral Engels en Frans gingen goed, en hoewel de leraren niet altijd even inspirerend waren, vond ik het de leukste vakken. Voor een schoolmeisje als ik waren de chansons van Barbara en Brel nog iets te hoog gegrepen, maar op een dag kwam er een zanger voorbij die het leven een beetje makkelijker en veel leuker maakte: Gérard Lenorman. Ik ploos zijn teksten uit en woorden die ik in de boeken niet kon vinden (‘internet’ was al helemaal nog niet bekend) nam ik mee naar school, ervan overtuigd dat meneer De Groot er wel raad mee wist. Meneer De Groot was geen monsieur Le Grand en wist dan ook niet overal een antwoord op. Zo associeerde hij het prachtige woord ‘funambule’ – de titel van een van Gérards liedjes – met een begrafenis (funerailles), terwijl ik later ontdekte dat het om een koorddanser ging. Ik bleef me dus storten op de teksten van Gérard en ging steeds meer van zijn liedjes houden, en van hem.

Verliefd op de liefde
In die tijd was ik vaak verliefd en kon een warme glimlach van elke bruinogige knul met donkere krullen mij danig in vervoering brengen. En Gérard had zo’n glimlach, hij had de bruine ogen, én de donkere krullen. Bovendien had hij een fijne stem vol emotie en kon hij het leven prachtig onder woorden brengen. En in het Frans. Ik was dus verkocht.

Ik zocht in de Popfoto, Muziek Express en zelfs de Belgische Joepie naar alles wat er over hem werd gepubliceerd, en na zijn eerste hit in Nederland, La ballade des gens heureux, werd dat alleen maar meer. Toen mijn plakboeken steeds voller werden, ging ik eens kijken of ik lid kon worden van een fanclub. Tot mijn verbazing bleek die er niet te zijn. Ik was ook toen al snel enthousiast te krijgen voor allerlei nieuwe projecten en dacht: “Ik richt hem zelf op.” Maar waar begin je?

Een telefoontje naar platenmaatschappij CBS bracht me in contact met een aantal verwarde gesprekspartners. Tja, kon dat zo maar? Was er niet al een fanclub in Frankrijk? Ze bleven met vragen achter, maar zouden me terugbellen. CBS ontdekte dat er ook in Gérards eigen land geen fanclub was, omdat hij dat zelf niet wilde. Ik zag mijn wens in rook opgaan, maar ik kreeg het telefoonnummer van zijn kantoor in Parijs en mocht zelf gaan lobbyen voor een Nederlandse club. In mijn allerbeste maar allerzenuwachtigste Frans vroeg ik permissie bij de secretaresse, die me beloofde dat ze het Gérard persoonlijk zou vragen. Niet lang daarna had ik toestemming. Het avontuur kon beginnen!

Gehaast idool
Het werd mijn eerste journalistieke ervaring. Ik moest leden werven, een blaadje maken, informatie verzamelen, en eventueel vertalen uit het Frans (ja, toen al!). Ik meldde me aan bij dezelfde blaadjes waarin ik altijd naar nieuwtjes zocht en kreeg een kleine advertentie in o.a. Popfoto en Joepie, maar ook in bladen als Story en Libelle. En de reacties volgden snel. In korte tijd had ik een groepje van zo’n vijftien leden (waaronder slechts één man) en organiseerde ik bij mij thuis de eerste fanclubdag. Wat fijn om zo veel lotgenoten te ontmoeten. En wat fijn dat mijn moeder (zoals vaak) de perfecte gastvrouw was!

Het was een heerlijke tijd. We kwamen af en toe bij elkaar. Ik kreeg de concertagenda van zijn secretaresse toegestuurd en de harde kern van de club ging zo veel mogelijk naar zijn concerten, waar we natuurlijk altijd hoopten op een momentje backstage en een ontmoeting met ons idool. Dat gebeurde ook, maar Gérard had altijd haast en het bleef vaak bij een handtekening en ‘une bise’; voor een echt gesprek met de clubleiding had hij nooit tijd. Een keer, in 1980, na zijn optreden in een show van Richard Clayderman (van Ballade pour Adéline, wie kent het nog?) die in Amsterdam werd opgenomen, nam hij even de tijd om wat met ons te babbelen en op de foto te gaan. Wat een ervaring!

1980 aug Cora en Gerard2

Volwassen worden
Ja, hij was mijn jeugdidool en ik was af en toe misschien een beetje hysterisch, maar ik leerde hem, door alles wat ik over hem te weten kwam, ook echt beter kennen. De liefde van een tienermeisje voor haar idool leek langzaam een soort (eenzijdige, dat wel) vriendschap op afstand te worden. Tot ik een andere Fransman ontmoette.

Mijn tweede (!) grote liefde stond achter de bar van een Parijs hotel waar ik een weekje verbleef. Met hem trouwde ik, en we hadden besloten dat ik naar de stad van de liefde zou komen om met hem een echt Frans leven te gaan delen. Dat veranderde natuurlijk ook mijn ‘relatie’ met Gérard en met de fanclub. Intussen had ik iemand gevonden die de club samen met mij runde en zij wilde het boeltje wel overnemen als ik naar Frankrijk vertrok. We spraken af dat ik de ‘correspondent in Frankrijk’ zou worden, daar op zoek zou gaan naar roddels en nieuwtjes en die eventueel ook, zo goed en zo kwaad als dat toen ging, zou vertalen. Echter, na enige tijd kreeg ik van haar het ‘vriendelijke’ verzoek om mijn contributie te betalen en heb ik, boos en verontwaardigd, het contact met de fanclub verbroken.

Ik ging nog een paar keer op 9 februari naar Gérards kantoor in de Rue de Bassano om een verjaardagsbloemetje te brengen en even met secretaresse Élisabeth te kletsen, maar ik leefde verder mijn soms drukke, dan weer rustige Franse leven. Gérard was er nog wel, regelmatig te zien op de Franse televisie bij shows van Patrick Sébastien of Michel Drucker, maar hij speelde in mijn leven geen hoofdrol meer. Hij ebde nog verder weg toen ik na mijn scheiding terugkeerde naar Nederland en ik van de verdeelde boedel niet veel meer overhield dan de lp’s met zijn liedjes. En toen de pick-up verdween, kwamen die ergens op zolder terecht, samen met de herinneringen.

Op de radio
Vorige week maandag, midden in een redactievergadering van het krantje waarvoor ik nu af en toe artikelen schrijf, werd ik gebeld door omroep Max. Gérard Lenorman kwam naar Nederland om zijn eenmalige concert van 17 november te promoten. Hij zou optreden in de Tineke (de Nooij) Show en ‘of ik daarbij wilde zijn’. Dat was even schrikken… Ik had het druk met mijn vertaalwerk en zat erg dicht bij een deadline, maar dat moest wijken. Desnoods ‘s nachts doorwerken. Ik ging! Of ik hem ook echt te spreken zou krijgen wist ik niet. Er werd me niet veel verteld.

Kort voor ik de volgende dag op het punt stond de trein te nemen, belde de redactie van Max om te zeggen dat de plannen waren gewijzigd. Opnieuw schrikken… Was ik dolblij gemaakt met een dode mus? Hij zou niet langer optreden bij de Tineke Show. Het nieuwe plan: later die middag zou hij voor een ander radioprogramma worden geïnterviewd en voorafgaand konden ze misschien wel een ontmoeting regelen. De spanning steeg, de hartkloppingen stegen mee.

Onderweg naar Hilversum werd ik in de trein opnieuw gebeld door omroep Max. Een redactrice van de Tineke Show vroeg me of de presentatrice mij wat vragen mocht stellen over wat ik met Gérard Lenorman had. “Blijf je even aan de lijn? Ik verbind je door met Tineke.” Een paar seconden later hoorde ik Tineke een plaat van Rob de Nijs afkondigen… Verrek! Ik was gewoon live in de uitzending… Ik vertelde op de radio mijn verhaal over hoe ik met Gérard Frans leerde, over de fanclub en over de komende ontmoeting; zonder hapering.

Hereniging
Na een gastvrije ontvangst met een kop koffie en een lunch startten we, twee even nerveuze redactrices en ik, de zoektocht naar Gérard. We vonden hem in een kleedkamer met feloranje muren en ‘kunstwerken’ met afbeeldingen van geluidsapparatuur. Vanaf de gang hoorde ik hem praten en gek genoeg werd ik niet nog zenuwachtiger, maar maakte zijn vertrouwde hese stem mij iets rustiger. Ik had de avond ervoor natuurlijk wakker gelegen en een gesprek steeds opnieuw door mijn hoofd laten gaan, wetend dat dat zinloos was. Maar wat als ik nu ineens niet meer weet hoe ik Frans moet spreken? Wat als ik een black-out krijg? Ik liep de ruimte in. We keken elkaar aan.
Weet je nog wie ik ben?” vroeg ik in correct Frans, precies zoals ik het geoefend had.
Mijn gezicht kwam hem bekend voor. “Ik heb een goed geheugen voor gezichten.”
We zoenden elkaar op de wangen en ik omhelsde hem stevig. Later vroeg ik me af of dit niet te vrijpostig was geweest, maar pech, dit was wat ik voelde. De hernieuwde ontmoeting met een dierbare vriend…
Toen ik vertelde over de fanclub, herinnerde hij zich hoe we met de hele club om hem heen stonden.
Mijn moeder was er ook bij,” zei ik, ook om dit later aan haar te kunnen vertellen; zo was ze er ook nu weer een beetje bij.
Hij wist het nog. Er is nu geen fanclub meer, Gérard vindt het niet meer van deze tijd. Via Facebook en andere sociale media blijven fans voldoende op de hoogte.
Even haalden we herinneringen op aan die tijd, en het overige half uur spraken we over gezond blijven, over honden en andere banale dingen waar oude vrienden samen over praten.

IMG_8785_Fotor-crop

Advertenties

De Boekhouder

Vandaag is opa’s 122e geboortedag. Hij is gestopt bij 94. Ruim een jaar na mijn vader. Toen die stierf, was opa boos. Hij vond het onrechtvaardig dat zijn schoonzoon, net 65, eerder doodging dan hij. Zijn schoonzoon, net als hij Ton geheten, was voor hem een extra zoon. Mijn vader deed dan ook veel voor zijn schoonouders, mede omdat hij beide eigen ouders op zijn vijfde al verloren had.

Ton senior, zoals ik hem gemakshalve maar even noem, was een strenge, maar lieve opa en een man vol verhalen. Over zijn diensttijd aan de Brabantse grens tijdens WO I (jawel, de eerste; opa was nog uit de 19e eeuw), de bedrijven waar hij werkte als boekhouder, de Amsterdamse voetbalclub waar hij jarenlang in het bestuur zat, en hoe hij als jongeman van een jaar of 18 bij zijn toekomstige schoonfamilie over de vloer kwam. Dat was geen vanzelfsprekendheid. Ook omdat Ton senior uit een iets ‘beter’ milieu kwam dan zijn verkering, dat was in die tijd nog wel een dingetje. Zijn vader – Ton senior senior zal ik maar zeggen, want in die tijd werd elke oudste zoon naar zijn vader vernoemd – was hoofdonderwijzer en kinderboekenschrijver en dat was ‘beter’ dan het vak van de vader van het meisje waar Ton senior al zo lang achteraan liep. Ja, Ton had al langer een oogje op Coba, maar ze was pas 16 en haar vader had, hoewel hij zich later omschoolde tot drogist, een wagenmakerij. En wie met zijn handen werkte, was nog altijd minder dan wie met zijn hoofd de kost verdiende. Maar Ton gaf niet op en maakte in 1922 van Coba zijn bruid.

Mijn herinneringen aan opa zijn alleen maar goed, hoewel hij soms wat streng kon zijn en mijn oma – naar wie ik ben vernoemd – doorgaans liever en toegeeflijker was. Opa was een stabiele factor. In alle opzichten een boekhouder. Hij registreerde alles zorgvuldig en was misschien wel wat we nu een control freak zouden noemen, maar wellicht is hij ook daardoor zo oud geworden. Na de dood van mijn oma was hij vaak bij ons thuis en ik herinner me dat hij ‘s ochtends altijd exact om zeven uur opstond en ‘s avonds klokslag tien uur naar boven ging, ongeacht wat hij aan het doen was. Hij heeft dit nooit uitgesproken, maar volgens mij was zijn levensmotto ‘rust, reinheid en regelmaat’. Iets waar ik misschien een voorbeeld aan zou kunnen nemen…? Nee… Er zit geen boekhouder in mij. Ik lijk meer op Coba.

2013-08-25 10.07.40 Ton Brugman ca 1920.jpg

Ton Brugman ca. 1920

Het helende effect van Kreta

…of waarom vrouwen in de overgang alleen naar een exotisch eiland op vakantie moeten.

Nu ik weer een week of twee in herfstig Utrecht ben, begin ik kwaaltje voor kwaaltje te beseffen in welke mate Kreta me goed heeft gedaan. De ochtendniesbuien steken de kop weer op en er verschijnen weer ruwe plekjes in mijn oorschelpen. Die waren toch echt verdwenen als sneeuw voor de Kretenzische zon.

Gedurende de week op het zomerse eiland waren de kloven in mijn vingers als door een betovering verdwenen en de huid genezen, heb ik niet één keer jeuk aan mijn neus gehad – ook niet tijdens het eten – en voelde ik geen pijn in mijn knie, dijbeen of bil (wat logisch is als je niet de hele dag achter je computer zit, hoe goed de bureaustoel ook is). Geen merkbare allergieën, ondanks de exotische planten en zwervende honden en katten, geen tranende ogen (want geen koude wind) en last but not least, GEEN OPVLIEGERS!

Flirten met mooie Griekse mannen zorgde er bovendien voor dat ik me 25 jaar jonger voelde, dus: weg overgang! Maar die mannen had ik eigenlijk helemaal niet nodig om me goed en fit te voelen. Een wandelingetje, een fietstochtje, leuke ontmoetingen met Engelse, Poolse en – ja, ook – Nederlandse reizigers waren allemaal heel verkwikkend. Maar vooral het gevoel trots te zijn op jezelf is wat zo’n verjongingskuur compleet maakt…

Zo’n reisje zou gewoon vergoed moeten worden door de zorgverzekeraar!

161005 Fietstocht 1.jpg

Stop met piekeren – 5 simpele tips

Piekeren doen we allemaal wel eens, maar soms, of bij sommigen, kan het danig uit de hand lopen. Het kan je leven gaan beheersen en je uiteindelijk behoorlijk somber maken. Ik ben eigenlijk nooit een piekeraar geweest, ik ben een geboren optimist. De laatste twee jaar (overgang?) word ik echter steeds vaker overmand door negatieve gedachten en dat zit me behoorlijk dwars. Ik wil geen piekeraar en zeurpiet zijn. Dat bén ik niet. Ik wil er vanaf en doe er zoveel mogelijk aan: hulp van buitenaf, zelfhulpboeken, webartikelen, enz.

Van het internet heb ik een paar aardige tips verzameld: je kunt negatieve gedachten echt een halt toeroepen, of in ieder geval temperen, voor ze uit de hand lopen.

1. Niet overdrijven

Overdrijving is je vijand. Ik las ergens dat je eens goed door je lijstje van zorgen zou moeten gaan: kijk naar extreme uitspraken en voeg daar wat nuance en realiteit aan toe. Als je bijvoorbeeld begint met na te denken over ‘niemand houdt van me’, dan eindig je misschien met iets als ‘mijn baas vindt mijn laatste verslag niet goed.’

Jenny Terasaki

Jenny Terasaki

2. Gebruik metaforen

Volgens experts werkt het: stel je eens voor dat je zorgen in een trein zitten die wegrijdt van een station. Treinen komen en gaan, maar jij hoeft niet mee te gaan. Terwijl je zorgen wegrijden van het station, kun jij focussen op het nu, in plaats je zorgen te maken voor de toekomst (die kun je niet voorspellen).

3. Plan ‘piekertijd’ in

Onhandelbare gedachten kun je beheersbaar maken door bijvoorbeeld per dag 20 ‘piekerminuten’ in te plannen. En als je merkt dat zorgwekkende gedachten op andere momenten binnensluipen, kijk dan uit dat je niet in een negatieve spiraal wordt getrokken; schrijf ze op, ‘parkeer’ ze, en kom erop terug op het moment dat je had ingepland.

4. Herhaal, maar laat het niet escaleren

Als je met de lift steeds maar weer op en neer gaat dan gaat het al gauw vervelen. Zo kun je ook omgaan met gedachten die je dwarszitten. Herhaal je angst of zorg keer op keer, als een soort omgekeerde mantra: “Ik word vast ontslagen, ik word vast ontslagen, ik word vast ontslagen…” De monotonie zorgt ervoor dat je het al snel zat wordt en op zoek gaat naar andere, prettiger, gedachten.

5. Ga de discussie aan

Jij bént niet je negatieve (of positieve) gedachten (of overtuigingen). Ga met ze in discussie. Speel de advocaat van de duivel. Klop het wel wat ik denk? Meestal niet. Natuurlijk is er altijd iemand die van je houdt zoals je bent (‘niemand houdt van me’) en je weet niet 100% zeker dat je baas je zal ontslaan, tenzij hij het letterlijk heeft gezegd. Het heeft dus weinig zin om je daar nu al zorgen over te maken.
(Dit komt van The Work van de Amerikaanse Byron Katie; op haar website vind je allerlei downloads, ook in het Nederlands, waarmee je aan het werk kunt.)

Kunst van Jenny Terasaki

De kudde past zich aan: een nieuwe overlevingsstrategie

Nadenken over overleven

Reflectie is goed. Over het leven en over jezelf. Ik zit in zo’n reflectieve periode en kijk af en toe terug (hoewel ik me ook wel kan vinden in de uitspraak van Edna ‘E’ Mode uit The Incredibles: “I never look back, darling. It distracts me from the now.”). Daarbij ontdek ik waarom ik doe wat ik doe in het leven. Ja echt, zo diep gaat het. En dan vraag ik me ook af: hoe overleef je in tijden van crisis, of die nu financieel of emotioneel is?

Een middelmatig kind

Bij zo’n zoektocht ga je terug naar de basis, naar je gevoelens, je zelfbeeld. Ik vond mezelf altijd middelmatig. Ik kon aardig zingen, maar deed er niets mee. Ik was leuk met kinderen, maar heb ook dat niet in mijn voordeel kunnen gebruiken. Het duurde lang voordat ik mijn ‘roeping’ vond. Ik leek voor elk beroep wel een geschikte eigenschap te hebben, maar ik miste dan weer zoveel andere. Als ik niet voor de liefde naar Frankrijk was vertrokken, waar ik mijn talenkennis goed kon gebruiken, was ik misschien wel huismoeder geworden.

Pestenpenguins

Ik wilde bijzonder zijn, anders. Maar anders zijn, mag dat wel? We zeggen dat iedereen zichzelf moet kunnen zijn en we lijken het zelfs aan te moedigen. Toch zijn er volop signalen dat onze samenleving het liefst mensen die ‘anders’ zijn buitensluit. Dat begint al op school. Er is momenteel veel over te doen: tv-programma’s, discussies over cyberpesten, enz. Maar pesten gebeurt al sinds jaar en dag. En alle smoezen zijn goed: een grotere neus, een andere naam – dat hoeft niet eens Poepjes te zijn; ik werd Baviaan genoemd – of je niet durven aansluiten bij de groep.

Doe maar gewoon

Waarom accepteren we eigenlijk niet dat iemand anders is? Willen we politiek correct zijn? Ons anders voordoen dan wat we werkelijk van binnen voelen? Zijn niet degenen die eerlijk zijn tegen zichzelf (en daardoor misschien ook vaker tegen anderen) ook degenen die zich anders durven kleden en gedragen? “Pff, moet je díe zien.” “Doe maar gewoon, joh.” Is het overlevingsdrang? Zijn die oergevoelens dan werkelijk zo diep geworteld? Het lijkt er namelijk op dat we nog altijd de kudde nodig hebben om te overleven. En dat terwijl onze maatschappij steeds individualistischer wordt.

Behoefte aan de groep

In alle hoeken van de samenleving draait het steeds meer om de individu, de single, de zzp’er… Zeker, die éénpitters zoeken elkaar ook op, maar dat is omdat we niet anders kúnnen. Alleen kun je niet overleven. Je kunt je eigen voedsel vinden, je eigen potje koken. Ja, zelfs seks hebben kan alleen (voortplanten dan weer niet). Maar we moeten ook allemaal van tijd tot tijd worden aangeraakt. Menselijke warmte is een must. Communiceren, hoe slecht we dat ook doen, hoort bij de overlevingsstrategie. En om in een groep te passen, is het goed om hetzelfde te zijn als die groep. Anders begrijpt men je niet.

BicHDE_CUAATUaVDe rollen omdraaien

Wordt het niet eens tijd dat de groep zich ook eens gaat aanpassen aan het individu? Wat ik daarmee bedoel is dat je elkaar de tijd moet gunnen om de ander beter te leren kennen. Als je werkelijk weet wat iemand beweegt, dan doet het ‘anders zijn’ er niet meer toe, dan zie je die grote neus of die gekke kleren niet meer. Uiteindelijk kan de groep ook niet overleven zonder het individu.

Kameleon

Met mijn middelmatigheid, die me lange tijd dwarszat, raak ik geleidelijk vertrouwd. Misschien maakt het feit dat ik me ermee verzoend heb me juist weer bijzonder. Of misschien ben ik niet kleurloos, maar ben ik een kameleon. Ja! Ik heb alle kleuren in mij en pas me aan mijn omgeving aan. Is dat niet de ultieme overlevingsstrategie?

Wat is jouw overlevingsstrategie?

Om te eindigen met een vrolijke noot zijn hier twee filmpjes over anders zijn (resp. 4 min en 2.45 min):

 

Het spook van de Tuilerieën

Dit is deel 11 en het laatste deel in een serie legendes van Parijs.

Aan de geschiedenis van het Palais des Tuileries kleeft de legende van de Rode Man van de Tuilerieën. Deze legende van het spook van de Tuilerieën komt eigenlijk van Jean ‘de vilder’, een slager en uitbener…

Van dakpannenfabriek tot paleis

Catharina de' Medici

Catharina de’ Medici

Het is 1564. Catherina de’ Medici, koningin van Frankrijk, begint aan een megalomaan project: het verbouwen van een dakpannenfabriek aan de oevers van de Seine tot een koninklijk paleis. Zodra het paleis klaar is, trekt ze erin, maar al snel krijgt ze er een enorme afkeer van en verlaat ze het om er nooit meer terug te keren. Ze beweert dat er een spook door het paleis doolde en dat het voorspeld had dat ze zou sterven in de buurt van Saint-Germain. De duivelse geest van de dakpannenfabriek droeg als kostuum… een bloedrood pak!

In opdracht vermoord

Deze spooklegende is in werkelijkheid ontstaan door het verhaal van Jean ‘de vilder’, een slager en uitbener die leefde in de tijd van Catherina de’ Medici en werkzaam was in een abattoir vlakbij het paleis. Een zekere Neuville zou hem de keel hebben doorgesneden in opdracht van Catherina de’ Medici en met als reden dat hij een aantal koninklijke geheimen kende. Op het moment dat hij stierf, bezwoer hij Neuville dat hij zou terugkeren uit het dodenrijk. Kort daarna al kwam hij zijn belofte na… toen Neuville terugkwam om aan de koningin verslag uit te brengen van zijn geslaagde missie, voelde hij achter zich een aanwezigheid. Hij draaide zich om en zag tot zijn afgrijzen Jean achter zich staan, badend in zijn eigen bloed.

Voorspellingen

Het spook zou de astroloog van Catherina de’ Medici gewaarschuwd hebben voor het dreigende gevaar dat op de loer lag: “De bouw van de Tuilerieën zal haar val betekenen, ze zal sterven”. De Rode Man bleef de koningin ’s nachts bezoeken tot aan haar dood op 5 januari 1589 in Blois. Vanaf die tijd en door de eeuwen heen wordt het spook van de Tuilerieën de schrik van het Palais des Tuileries; iedereen aan wie hij verschijnt, kondigt hij een tragedie aan.

Marie Antoinette

Marie Antoinette

Marie Antoinette

Zoals in juli 1792, toen hij verscheen voor koningin Marie Antoinette, kort voordat de monarchie zou vallen. Volgens de legende zou Marie Antoinette zelfs nog aan de graaf van Saint-Germain, toen een magiër, gevraagd hebben haar te beschermen tegen het spook van de Tuilerieën. Maar de magische formules hielpen niet, het spook was bij haar tot aan haar terdoodveroordeling in 1793.

Napoleon

Later, in 1815, verschijnt hij aan Napoleon I, een paar weken voor de slag bij Waterloo. En ten slotte verschijnt hij in 1824 nog aan Lodewijk XVIII en aan diens broer de graaf van Artois, een paar dagen voor de dood van Lodewijk. De voorspellingen van de Rode Man waren onverbiddelijk.

Verdwenen in de vlammen

Het laatste hoofdstuk van deze legende vindt plaats op 23 mei 1871… tijdens de opstand van de communards in Parijs. Het Palais des Tuileries was toen drie dagen achter elkaar in brand gestoken. Het complete gebouw werd in de as gelegd. De gestalte van de Rode Man werd door verschillende getuigen gezien voordat hij voor altijd in de vlammen verdween.

Verwoest Paleis - eind 19e eeuw

Verwoest Paleis – eind 19e eeuw

Lees ook de andere Parijse legendes: deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera, deel 3 over de Engel van de Bastille, deel 4 over Le Lapin Agile, deel 5 over de metromoord, deel 6 over een krokodil in het riool, deel 7 over de spookstations van de Parijse metro, deel 8 over de catacomben, deel 9 over de poorten van de duivel en deel 10 over La Cour des Miracles.

La Cour des Miracles

Dit is deel 10 in een serie legendes van Parijs.

De wrat van Parijs

10 rue Chanoinesse

Rue Chanoinesse

In het Frans slaat de term ‘Cour des Miracles‘ (‘plein der wonderen’; een vrijplaats voor het uitschot van de stad) op een unieke plek in Parijs die aan het licht is gekomen door de roman Notre Dame de Paris van Victor Hugo (bij ons beter bekend als De klokkenluider van de Notre Dame). Hij beschreef het cour des miracles als een pandemonium, een ‘wrat op het gezicht van Parijs’. In werkelijkheid gaat de term over de stadsgrenzen van Parijs heen, want elke stad had wel een of meer van die vrijplaatsen.

Hoeren en dieven

Het cour des miracles was oorspronkelijk een no-goarea waar in de middeleeuwen het uitschot van de samenleving zich verzamelde. Je vond er hoeren, dieven, bedelaars en kreupelen, die tezamen een fantastisch hysterisch tafereel vormden. De gegoede burgerij uit die tijd vermeed dan ook deze plek en zijn bewoners, die in die tijd de Parijse orde behoorlijk verstoorden.

Verschil van dag en nacht

De naam cour des miracles komt van het feit dat na het vallen van de nacht dit schone volkje leek te verdwijnen als sneeuw voor de zon. Zo vonden de pseudo-invaliden ineens hun fysieke vermogens terug en de oudjes ondergingen een verjongingskuur… een mirakel, zo leek het. Het plein der wonderen was slechts een show, opgezet om medelijden te wekken bij de argeloze voorbijganger en hem een aalmoes af te troggelen. Voor Victor Hugo was het “Cour des Miracles eigenlijk niet meer dan een toneel, maar wel een toneel van boeven, dat net zo rood zag van het bloed als van de wijn”.

Het 'Cours des Miracles' door Gustave Doré

Het ‘Cours des Miracles’ door Gustave Doré

Hier is een passende omschrijving van Hugo uit zijn roman Notre Dame de Paris:

De arme dichter keek even om zich heen. Hij was inderdaad op dat beruchte Plein der Wonderen, waar nooit eerder een eerlijk mens op een dergelijk uur was doorgedrongen; een magische cirkel waar van de officieren van het Châtelet en de sergeanten der militaire politie die er durfden te komen geen kruimel overbleef; stad van dieven, afzichtelijke wrat op het gezicht van Parijs; een riool waar iedere ochtend een stroom van gebreken aan ontsnapte, een stroom die er ook elke nacht weer in terug kroop om er verder te rotten; het geschooi en de landloperij waarvan de straten van de stad altijd overliepen; een monsterlijk mierennest waar ´s avonds alle horzels van de sociale orde thuiskwamen met hun buit; een bedrieglijk armenhuis waar de bohemien, de uitgetreden monnik, de verloren scholier, de nietsnutten aller landen, Spanjaarden, Italianen, Duitsers, van alle geloven, joden, christenen, islamieten, afgodendienaars, bedekt met valse wonden, overdag een bedelaar, maar ´s nachts de gedaante aannemend van een boef; een immense kleedkamer, eigenlijk, waar in deze tijd alle acteurs zich aan- en uitkleden voor de eeuwigdurende komedie die op het plaveisel van Parijs wordt gespeeld door diefstal, prostitutie en moord.”

Geschiedenis

De historische anekdote wil dat Lodewijk XIII in 1630 opdracht gaf tot het aanleggen van een straat dwars door het grootste Cour des Miracles van Prijs (het zogeheten Alby-terrein). Maar een deel van de arbeiders werd vermoord en het project raakte in het slop. En zo werd het Cour des Miracles een soort geheime gemeenschap, een gevaar voor de koninklijke macht (die toen nog gehuisvest was in Parijs). In 1656 kreeg luitenant-generaal van politie Gabriel Nicolas de la Reynie opdracht het te vernietigen. 60.000 dieven, bedelaars en nepinvaliden werden gebrandmerkt en aan de slavenarbeid gezet.

Rue Réaumur toen en nu

Rue Réaumur toen en nu

Onder het Ancien Régime telde Parijs een twaalftal Cours des Miracles, die zich ongeveer op deze plekken bevonden:

  • Het Grote Cour des Miracles, dat toentertijd onderdak bood aan bijna 4000 mensen. Dit bevond zich tussen rue du Caire en rue Réaumur, in het huidige 2e arrondissement. Het gevaarlijkste deel bevond zich in de cirkel die wordt gevormd door rue Damiette en rue des Forges.
  • Cour Brissel, rue de la Mortellerie (een deel van de huidige rue du Temple)
  • Cour de la Jussienne, rue de la Jussienne
  • Rue de Reuilly
  • 100 rue Réaumur
  • Rue du Bac nummer 63
  • Rue des Tournelles en rue Jean-Beausire
  • Rue de l’Échelle
  • Nog twee vlakbij de Porte Saint-Denis, op een ‘afvalheuvel’.

 

Lees ook de andere Parijse legendes: deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera, deel 3 over de Engel van de Bastille, deel 4 over Le Lapin Agile, deel 5 over de metromoord, deel 6 over een krokodil in het riool, deel 7 over de spookstations van de Parijse metro, deel 8 over de catacomben en deel 9 over de poorten van de duivel.