Het mysterie van de catacomben

Dit is deel 8 van een serie legendes van Parijs.

Catacomben…

Ondergronds

Ondergronds

Het woord alleen al maakt nieuwsgierig of geeft je misschien zelfs koude rillingen. De catacomben zijn omgeven door een sfeer van mysterie, knekels en hersenschimmen. Maar wat weten we ervan?
Parijzenaars weten dat hun stad een gatenkaas is, maar velen zouden het liever verbloemen. Parijs bevindt zich bovenop zo´n 350 kilometer ondergrondse galerijen, als een enorme stad op palen.

De cata’s

Dit enorme labyrint wordt ook wel – heel poëtisch, maar onterecht – de catacomben genoemd en strekt zich uit onder een groot deel van de linkeroever (Rive Gauche: van Odéon tot het Parc Montsouris) en een deel van de rechteroever (Rive Droite: Montmartre, Belleville en Ménilmontant). Pak je zaklantaren en volg de gids: we maken een ‘historisch’ tochtje door de ‘cata’s’!

Bezocht door koningen

Vanaf het moment dat ze werden aangelegd, vormen de Catacomben van Parijs een bron van nieuwsgierigheid. We weten zelfs dat Karel X er in 1787 afdaalde in gezelschap van zijn hofdames. En in 1860 gaat Napoleon III naar beneden met zijn zoon!

Steengroeven

Maar wat is de oorsprong van dit netwerk van ondergrondse galerijen? Het antwoord is simpel: steen. Sinds de Gallo-Romeinse tijd hebben de Parijzenaars het materiaal voor hun huizen uit de grond gehaald. De catacomben van Parijs zijn niet minder dan een deel van de vroegere steengroeven die zich uitstrekten over een groot deel van de (ondergrondse) stad.

Kerkhof

Macaber

Macaber

Maar de naam catacomben is in het geval van Parijs niet terecht. In werkelijkheid gaat het namelijk om meer dan een knekelhuis. Jawel, hier liggen de beenderen van 6 miljoen mensen afkomstig van de sinds 1786 geruimde Parijse begraafplaatsen en van graven uit kerken.

Mei 1968

Tegenwoordig kan iedereen een bezoek brengen aan de ‘officiële’ catacomben bij Denfert-Rochereau. Maar dat is slechts een klein deel van de 350 km aan galerijen verborgen onder de stad… en daar begint het avontuur. De catacomben verhullen een complete parallelle wereld. Voor velen zijn ze een Parijse fantasie; zeker sinds de jaren 70 toen de ‘cata-gekte’ zijn hoogtepunt bereikte. In 1968 maakten studenten er overigens gebruik van om de ME te ontlopen, en je verschuilen in de catacomben werd bijna een gewoonte, net zo gevaarlijk als verboden.

Cultstatus

Sinds de jaren 80 hebben de catacomben een soort cultstatus gekregen en is er zelfs een kunstvorm ontstaan: inrichting en decoratie van zalen, beeldhouwwerken (er zijn zelfs miniatuursteden uitgehakt uit de rotsen), grafische voorstellingen en fresco’s. Maar de toename van het aantal bezoekers heeft zijn keerzijde. Zo kreeg de politie klachten dat cata-liefhebbers (catafielen) in de catacomben zijn lastiggevallen.

Gewone mensen

De Inspection Générale des Carrières (Inspectiedienst van de steengroeven) grijpt naar drastischer middelen. In 1981 infiltreert de inlichtendienst een groep cata-gekken om ze beter te leren kennen. Men komt erachter dat het niet gaat om een bende of een sekte. Er zijn geen zwarte missen, er is geen drugshandel. Het zijn niet meer dan een paar ‘cata-fanatici’ met een passie voor een miskend erfgoed.

Het rijk der doden

Het rijk der doden

Cata-gekte

Om problemen te voorkomen, worden de galerijen vanaf de jaren 90 door de politie geblokkeerd. De cata-gekken, waarvan er eind jaren 70 zo’n duizenden zijn, zijn begin jaren 90 nog slechts met een man of 300. Maar het zijn hartstochtelijke aanhangers. Je moet wel een beetje gek zijn om de ME, ongelukken, nare ontmoetingen en rattenziekte te omzeilen.

Een pittige tocht

Het interessantste deel van de catacomben bevindt zich vandaag de dag onder het 14e en een deel van het 13e arrondissement. Maar helaas, het is niet iedereen gegeven om af te dalen in de ‘onofficiële’ catacomben: je moet honderden meters lang gebukt lopen met een zaklantaren. Je moet door nauwelijks begaanbare kruipgaten kronkelen en je een weg banen door overstroomde galerijen waar het water soms tot aan je middel komt… echt geen lolletje.

Dieper dan de metro

Je bevind je zo’n 20 meter onder de grond, dieper nog dan de metro en de riolering. Het is er een graad of 12 en muisstil. Het is een compleet andere wereld. Je stuit er op oude schuilkelders, Duitse bunkers, knekelhuizen en bronnen… Bepaalde ruimtes zijn al twee eeuwen oud, zoals het graf van Philibert Aspairt, de portier van het Val-de-Grâce ziekenhuis, die in 1793 de weg kwijtraakte in het onderaardse.

 

Feestlocatie

Tot de bijzondere ruimtes behoort ook Zaal Z met zijn welgevormde en verstevigde gewelven, geïnspireerd op de Romaanse kunst. Zaal Z is een favoriete feestlocatie van de cata-gekken. Een naam die ook vaak terugkomt is ‘het strand’. Dit is een ruimte die pas een jaar of twintig geleden is aangelegd en waar zand op de grond ligt. En ten slotte kan men niet afdalen in de cata’s zonder een bezoek te brengen aan ‘het kasteel’. Deze enorme ruimte is versierd met waterspuwers en er staat een ronde tafel met banken eromheen. Er is een miniatuur fort gebeeldhouwd en in het midden hangt een ijzeren kroonluchter.

Kruip-door-sluip-door

Kruip-door-sluip-door

Een bezoek aan de catacomben is geen bezoek aan het park. Je hebt een paar oriëntatiepunten nodig om er weer uit te komen… en levend, graag! Om de catacomben te bezoeken, moet je rekening houden met een wachttijd: er kunnen slechts 200 bezoekers tegelijk naar beneden.

 

Lees ook de andere Parijse legendes: deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera, deel 3 over de Engel van de Bastille, deel 4 over Le Lapin Agile, deel 5 over de metromoord, deel 6 over een krokodil in het riool en deel 7 over de spookstations van de Parijse metro.

 

Advertenties

De spookstations van de Parijse metro

Dit is deel 7 in een serie legendes van Parijs.

Geen ingang

Er zijn in Parijs metrostations die zijn gesloten of nooit zijn geopend… en een aantal heeft niet eens een in- of uitgang! Er zijn metrostations die niet op de plattegrond van de RATP staan, maar die zich wel degelijk onder de voeten van de Parijzenaars bevinden! Die spookstations zijn voor velen een curiositeit. We gaan even terug naar de jaren 40 van de vorige eeuw…

510780966_de6576acdf

WOII

De ‘spookstations’ zijn aan het begin van de Tweede Wereldoorlog gesloten, in september 1939, en een aantal ervan is sindsdien dicht gebleven. Omdat in die tijd een deel van het personeel gemobiliseerd was, werkte maar een gedeelte van het metronet, en na de bevrijding bleven stations die te weinig werden gebruikt of te dicht bij andere stations lagen, gesloten. Andere stations zijn hergebruikt of later bij de ontwikkeling van het metronet alsnog verdwenen. Twee zijn er wel gebouwd, maar hebben nooit een reiziger gezien en hebben geen openbare in- of uitgang. Drie andere stations zijn aangelegd, maar daar is nooit een metrolijn doorheen gegaan.

Welke stations bleven voor altijd gesloten?

Twee Parijse metrostations zijn als vertakking aangelegd, maar zijn nooit open gegaan voor het publiek en hadden geen openbare in- of uitgang: Porte Molitor / Murat en Haxo. Tot aan 2007 zijn ze slechts een aantal keren aangedaan tijdens een paar speciale ritten.

Stadion

Haxo

Haxo

Het station Porte Molitor is gebouwd op een verbinding tussen de lijnen 9 en 10, ook wel ‘voie Murat‘ genoemd, die oorspronkelijk de toegang was voor het stadion Parc des Princes op wedstrijdavonden. Maar de exploitatie ervan bleek ingewikkeld en men liet het project varen; de in- en uitgangen werden nooit gerealiseerd. Het spoor dient als rangeerstation voor treinstellen.

Pendelbus

Een eenrichtingsspoor, met de naam la voie des Fêtes (de Feestweg), verbindt Place des Fêtes bij de Porte des Lilas met een tussenstation: Haxo. Dit spoor moest de lijnen 3 en 7 (nu 3 bis en 7 bis) met elkaar verbinden, maar er werd uiteindelijk besloten tot een simpele pendelbus tussen de stations van die twee lijnen, een dienst die de reizigers nauwelijks gebruikten en die in 1939 werd opgeheven. Station Haxo zag nooit een passagier; de in- en uitgang ervan zijn nooit gerealiseerd.

Welke stations zijn later alsnog gesloten?

Drie stations zijn na 1939 nooit heropend: Arsenal, Champ-de-Mars en Croix-Rouge. Station Arsenal is ingericht als lesvoorziening voor technici en ingenieurs. Station Croix-Rouge is in de jaren 80 door een kunstenaar omgebouwd tot een ‘strand met ligstoelen’.

Filmdecor

Filmdecor

Twee andere stations zijn open, maar hebben doodlopende perrons, ze zijn dus ontoegankelijk voor het publiek: Porte des Lilas – Cinéma en een deel van Invalides. Station Porte des Lilas – Cinéma wordt gebruikt als filmset voor speelfilms of reclamefilms (o.a. de film Amélie).

Welke stations zijn later weer geopend?

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog blijven slechts 85 stations open voor gebruik. Het merendeel gaat in de jaren daarna weer open, maar een aantal, waarvan wordt gezegd dat ze niet rendabel zijn, blijft voor langere tijd gesloten.

Daklozenopvang

Slechts een station, Saint-Martin, gaat direct na de bevrijding weer open. Omdat dit aan de Grands Boulevards (Haussmann, Capucines, enz.) ligt, is het druk bezocht, maar het wordt uiteindelijk toch gesloten omdat het te dicht bij het nabij gelegen station Strasbourg–Saint-Denis ligt: de dichtstbijzijnde ingangen liggen slechts 100 meter uit elkaar. Het schijnt dat tegenwoordig een deel van het station wordt gebruikt door het Leger de Heils als opvang voor daklozen.

Station Cluny

Station Cluny

Beperkt open

Varenne gaat weer open op 24 december 1962, en op 7 januari 1963 ook station Bel-Air. Rennes en Liège gaan na bijna 30 jaar gesloten te zijn geweest weer open voor het publiek, op respectievelijk 20 mei 1968 en 16 september 1968. Maar de openingstijden worden wel aangepast: de twee stations sluiten om acht uur ’s avonds en zijn ook op zon- en feestdagen gesloten. Rennes krijgt op 6 september 2004 weer de oude openingstijden en Liège krijgt als laatste station met beperkte openingstijden op 4 december 2006 zijn oude tijden terug.

Vergeten station

Cluny blijft bijna een halve eeuw een vergeten station. Maar naar aanleiding van de bouw van het treinstation Saint-Michel–Notre-Dame van RER-lijn B wordt het weer geopend om een aansluiting te realiseren met lijn 10: het station wordt voor het publiek geopend op 17 februari 1988, tegelijk met het station voor lijn B. Voor de gelegenheid wordt het omgedoopt tot station Cluny–La Sorbonne.

 

Lees ook de andere Parijse legendes: deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera, deel 3 over de Engel van de Bastille, deel 4 over Le Lapin Agile, deel 5 over de metromoord en deel 6 over een krokodil in het riool.

Een krokodil in het riool

Dit is deel 6 in een serie legendes van Parijs.

De rioolruimers van Parijs zijn gewend aan ratten in de riolering van de stad. Maar in 1984 hebben brandweermannen (de pompiers doen in Frankrijk bijna alle ‘eerste hulp’) een ontmoeting met een heel andere diersoort.

Ter hoogte van de Pont Neuf ligt een krokodil van bijna een meter lengte hen op te wachten, verstopt in het donker. Nadat ze het beest gevangen hebben, melden deskundigen dat het om een nijlkrokodil gaat. Niemand weet hoe die daar is terechtgekomen. Maar wat zeker is, is dat Eleanore (zoals de krokodil genoemd werd) niet meer door de riolering van Parijs wandelt. Zij is na haar Parijs avontuur naar Vannes (Bretagne) gebracht, waar zij, nu drie meter lang, in alle rust haar dagen slijt.

Een nijlkrokodil kan ongeveer 100 jaar worden. Als de pompiers Eleanore toen niet hadden gevonden, kroop de krokodil nu waarschijnlijk nog steeds door het riool van de stad. Dit waargebeurde verhaal van de Parijse rioolkrokodil is een van de stadslegendes die te vinden zijn in de tentoonstelling van Le Manoir de Paris. Een teken dat het in het collectieve geheugen van de Parijzenaars staat gegrift.

crocodile egouts de paris

 

Lees ook de andere Parijse legendes: deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera, deel 3 over de Engel van de Bastille, deel 4 over Le Lapin Agile en deel 5 over de metromoord.

Het raadsel van de metromoord

Dit is deel 5 in een serie legendes van Parijs.

Zondag 16 mei 1937, half zeven ´s avonds. Laetitia Toureaux, een jonge fabrieksarbeidster, stapt in de metro aan de Porte de Charenton, het eindstation van lijn 8. Een minuut later stappen bij het volgende station, Porte Dorée, zes passagiers in. De jonge vrouw is alleen in het treinstel. Onder haar witte hoed is haar gezicht niet zichtbaar. Ze lijkt te slapen…

Porte de Charenton

Porte de Charenton

Terwijl de metro verder rijdt, ligt haar lichaam plotseling in een plas bloed op de grond. Een mes staat rechtop in haar nek. De steek is met zo veel kracht toegebracht dat het lemmet, dat er tot aan het heft in zit, het ruggenmerg in tweeën heeft gespleten. Laetitia Toureaux leeft dan nog, maar overlijdt in de ambulance die haar naar het ziekenhuis Saint Antoine brengt.

Op die zestiende mei 1937 vindt dus de eerste moord in de Parijse metro plaats, sterker, de moord zal ook nog eens lange tijd onopgelost en onverklaarbaar blijven! De moordenaar is totaal onzichtbaar gebleven: de moord kan alleen maar zijn gepleegd tussen de twee metrostations in, en op dat traject moet de moordenaar het treinstel hebben verlaten. Deze ‘perfecte misdaad’ vraagt om heel wat getuigenverhoren.

Er is interesse in de duistere persoonlijkheid van Laetitia Toureaux. Ze was een voorbeeldig fabrieksarbeidster, maar bleek voor anderen een medewerkster [hoer] van de geheime dienst. Ze was op haar werkplek een spionne van de baas, werkte ook voor een detectivebureau dat moest infiltreren in de Italiaanse onderwereld, en ze had nauwe banden met La Cagoule, een rechts-extremistische organisatie.

Ging het om een afrekening? Heel Frankrijk was een tijd lang geobsedeerd door dit mysterie dat jarenlang ononthuld bleef.

En dan, 25 jaar later, een onverwachte wending: de politie ontvangt in juni 1962 een brief van een arts uit Perpignan die zegt de moordenaar te zijn van de mooie Laetitia, en daarbij een mogelijk scenario schetst en een nieuw motief geeft: jaloezie… De bekentenis komt nogal laat en is anoniem. De man beweert van het ene treinstel in het andere gestapt te zijn met een zogenaamde ‘brandweersleutel’, een soort loper, gebruik makend van het lawaai van de opengaande deuren van het treinstel om in en uit de wagon van Laetitia te komen.

Dit schreef de moordenaar van Laetitia Toureaux in juni 1962.

Meneer de commissaris,
Ik weet niet of deze brief u bereikt. Misschien wordt hij al snel in de prullenmand gegooid als het werk van een gek, en misschien is dat ook maar beter. Zonder twijfel herinnert u zich nog de moord op Laetita Toureaux bij de Porte de Charenton, in de metro, op 16 mei 1937. Ik ben de moordenaar van Laetitia Toureaux…

Metro-Laetitia-Toureaux-1937

De metromoord

Lees ook de andere Parijse legendes: deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera, deel 3 over de Engel van de Bastille en deel 4 over Le Lapin Agile.

Een club voor moordenaars

Dit is deel 4 in een serie legendes van Parijs.

Au Lapin Agile is het oudste café chantant van Parijs. Deze herberg in Montmartre (of eigenlijk ‘op’ Montmartre, want het is een heuvel) stamt uit 1860 en werd toen ook wel “Ontmoetingsplek van dieven” genoemd. Het stond zelfs een tijdje bekend als het ‘moordenaarscafé’.

Au Lapin Agile

Au Lapin Agile

Vandaag de dag is het nauwelijks veranderd, er is zelfs geen likje verf aangebracht over de oude patina van de door kachelrook zwartgeblakerde muren en daarom is het juist zo geliefd! Au Lapin Agile is zo’n beetje voor het café chantant wat Idols is voor de televisie. Een aanlokkelijk patchwork van jonge zangers die oude Franse chansons bewerken. De muzikale kwaliteit is authentiek en houdt de geest van het oude café chantant levend, met bovendien een vleugje humor in de liedjes. Hier hangt een gelukzalig sfeertje, een olijke, oprechte ambiance… hoewel niet al te jong meer! Een show duurt er ongeveer vier uur en met een glas sangria in de hand kun je zo maar midden in een feestje belanden! Wat een avond!

Maar hoewel de show de moeite waard is, is het vooral de ziel en de geschiedenis van dit ‘krot’ die fascinerend zijn. Beroemde artiesten waren vaste gast, zoals Picasso, die zijn maaltijd ooit betaalde met een van zijn Harlekijns; en de schrijvers Guy de Maupassant en Guillaume Apollinaire, of meer recentelijk de zangers Georges Brassens (die hier voor het eerst zong) en Claude Nougaro! Au Lapin Agile is een van de oudste ‘cabarets’ van Parijs en is alive and kicking.

Wat de geschiedenis betreft: in 1869 krijgt het café de naam ‘moordenaarscafé’, omdat aan de muur portretten hangen van beruchte moordenaars als François Ravaillac, de moordenaar van de Franse koning Hendrik IV, en massamoordenaar Jean-Baptiste Troppmann.
Tegenwoordig heet het Au Lapin Agile, omdat in 1880 de toenmalige eigenaar de karikaturist André Gill, ook een stamgast, opdracht gaf tot het maken van een uithangbord; Gill schildert een konijn met een jas aan die net is ontsnapt aan de kookpot waar hij in zou belanden. Het café krijgt dan in de volksmond de naam ‘lapin à Gill’ (het konijn van Gill), dat al gauw ‘Lapin Agile’ (het behendige konijn) wordt. Het konijn op het bord zou trouwens een zelfportret zijn van de karikaturist, die deel uitmaakte van de Commune, maar erin slaagde te ontsnappen aan de repressie die erop volgde.

Coucher de soleil sur l'Adriatique

Coucher de soleil sur l’Adriatique

Hier is ook de meest opzienbarende grap uit die tijd uitgehaald. Op een dag exposeerde de schilder ‘Boronali’ zijn abstracte schilderij ‘Coucher de soleil sur l’Adriatique’ op de Salon des Indépendants en de recensies waren lovend! In werkelijkheid ging het om een werk van Lolo, de ezel van Au Lapin Agile, bij wie een penseel aan de staart was vastgemaakt. Het schilderij werd verkocht aan een verzamelaar voor maar liefst 500 francs! De gelegenheidsschilder en de ezel werden ontmaskerd en onder de snobs werd er schande van gesproken!

Om te eindigen met de plek… dat is het enige spijtige eraan. Op deze plek, die het centrum is geworden van het wereldtoerisme, komen lieden van diverse allooi, die logischerwijs niet altijd erg gevoelig zijn voor chansons met mooie teksten, wat de sfeer van het café chantant niet ten goede komt. Dit gezegd hebbende, vraagt het een bravourestuk en een uitstekend optreden van de artiesten! Ga er dus vooral heen en let niet teveel op de entourage!

Lees hier deel 1 over de bloeddorstige banketbakker, deel 2 over het Spook van de Opera of deel 3 over de Engel van de Bastille.

 

Wie is de Engel van de Bastille?

Dit is deel 3 in een serie legendes van Parijs.

 

‘Non Serviam’ – “Ik zal niet dienen!”

Le Génie de la Liberté

Le Génie de la Liberté

Een paar woorden waren voor God genoeg om een aantal van zijn mooiste wezens in het verderf te storten. Lucifer, de drager van het Licht en een gevallen Engel, nam een derde van de engelen mee in zijn opstand tegen God. Voor hem werd de hel gemaakt. De rest is bekend…

De Colonne de Juillet, de zuil op de Place de la Bastille, werd opgericht tussen 1833 et 1840. Bovenop torent de Génie de La Liberté (zinnebeeld der vrijheid), gemaakt door de beeldhouwer Auguste Dumont. Het is een merkwaardig eerbetoon van Lodewijk Filips aan de opstandelingen die drie jaar eerder Karel X en de absolute monarchie ten val brachten.

Lucifer is weer opgestaan. Geen enkel detail ontbreekt: met een fakkel in de hand, verbreekt de Engel zijn ketenen en stort zich op nieuwe veroveringen. Onder zijn indrukwekkende voetstuk bevindt zich een crypte met daarin zo’n 500 overblijfselen van de strijders uit 1830, maar ook een door Napoleon meegebrachte Egyptische mummie.

Tijden de Commune van Parijs in 1870 wilden de Communards, nadat ze die op de place Vendôme hadden neergehaald, de aanval inzetten op de zuil van Place de la Bastille… zonder succes. Noch het installeren van ondergrondse explosieven, noch het afschieten van een dertigtal granaten vanaf de Buttes Chaumont was toereikend. De vlam van de drager van het Licht weigerde uit te gaan…

Manifestation du front de gauche _ Bastille _ _11_

Demonstratie Place de la Bastille

Lees hier deel 1 over de bloeddorstige banketbakker of deel 2 over het Spook van de Opera.

Het spook van de Opera

Dit is deel 2 in een serie legendes van Parijs

Wie was nu echt het spook van de Opera?
De Opéra toen en nu

De Parijse Opéra toen en nu

Dankzij de musical van Andrew Lloyd Webber kennen we allemaal het verhaal van het spook van de Opéra Garnier (naar het boek van Gaston Leroux). Maar wat is de oorsprong van deze Parijse legende? En wie is dat beroemde spook? Loge nummer 5 is er nog steeds…

Het begint met een brand

Op 28 oktober 1873 zou een jonge pianist zijn gezicht hebben verbrand in de brand van het conservatorium aan de rue Le Peletier. Zijn verloofde, een ballerina, is daarbij om het leven gekomen. Hij is ontroostbaar en zoekt zijn toevlucht in de onderaardse gewelven van de Opéra Garnier, toen nog in aanbouw.
De man, Ernest, verblijft in het Palais Garnier tot aan zijn dood. Hij zou vlakbij het meertje gewoond hebben dat onder de Opera lag en diende als watervoorraad bij brand. Zijn laatste dagen wijdde hij aan de kunst en het voltooien van zijn levenswerk: een loflied op de liefde en de dood. Hij stierf in het souterrain. Zijn lijk is nooit teruggevonden en men denkt dat hij is aangezien voor een van de lijken van de communards.

Het juiste kadaver

In 1910 neemt het verhaal een andere wending. De schrijver Gaston Leroux laat zich door de legende inspireren en schrijft zijn beroemde roman Het spook van de Opera. In het voorwoord schrijft hij: ”We weten nog dat laatst, terwijl we in het souterrain van de Opera aan het graven waren om de grammofoonplaten met de stemmen van artiesten daar te begraven, de houweel van een van de arbeiders een kadaver blootlegde. Onmiddellijk had ik ook het bewijs dat dit het skelet van het Spook van de Opera was! Ik heb het eigenhandig laten toetsen bij de beheerder en het kan me niets schelen dat de kranten vertellen dat daar een slachtoffer van de commune is gevonden.”

fantome

Vreemde voorvallen

Dan gaat het verhaal de hele wereld rond. In zijn roman heeft Leroux het over een mysterieuze bewoner van het souterrain van het Palais Garnier. Maar hij heeft het verhaal niet verzonnen en heeft zich laten inspireren door onverklaarbare gebeurtenissen die men toeschreef aan de pianist Ernest.
Op 20 mei 1896, zo staat in de annalen van het Palais Garnier, komt tijdens een voorstelling van Faust van Gounod de grote kroonluchter in de zaal naar beneden en vindt een toeschouwer daarbij de dood. Volgens het verhaal zat deze toeschouwer op stoel nummer 13.

Het spook wordt verliefd

Vervolgens zou door een aantal vreemde verschijnselen de aanwezigheid van het spook steeds aannemelijker worden: een technicus sterft door ophanging, wat zelfmoord had kunnen zijn, ware het niet dat er geen touw was! Niet lang daarna wordt een danseres dood gevonden na een val van een balkon.
Maar nog gekker is dat een jonge sopraan, Christine Daaé, beweert het spook van de Opera ontmoet te hebben. Hij wordt verliefd op haar en geeft haar zangles door zich voor te doen als de Engel van de muziek. De platonische liefde van het spook weerhoudt de jonge vrouw ervan, uit angst, verliefd te worden op de burggraaf van Chagny.

Loge nummer 5
fantome1half

Loge nr. 5

De laatste bizarre anekdote: de toenmalige directie werd benaderd door iemand die 20.000 francs per maand eiste samen met de reservering van loge nummer 5… (die loge is nog altijd te vinden in de huidige Opera!)

 

 

Lees hier deel 1 over de bloeddorstige banketbakker.